Verschillende fasen van consultvoering

Net als bij ieder gesprek kent het farmaceutisch consult een begin, een midden en een afsluiting. Het midden delen we op in een fase van informatie en onderzoek, en een fase van uitleg, advies en besluit. Hieronder lees je meer over de vier verschillende fasen.

1. Begin van het gesprek


Hoe begin je het farmaceutisch consult?


  • Je begroet de cliënt en maakt contact.
  • In de spreekkamer geef je een hand en stel je jezelf voor. Aan de balie is dat minder gemakkelijk en kun je bijvoorbeeld een naambordje dragen en oogcontact maken. Probeer signalen op te pakken. Wat maak je op uit de houding en gezichtsuitdrukking van de cliënt?
  • Vertel de cliënt wat je gaat doen.
  • Voor de cliënt is het prettig te horen wat er gaat gebeuren. Verdwijn nooit zomaar naar achteren.
  • Stel vragen om duidelijkheid te krijgen of een consult op zijn plaats is (‘Krijgt u deze medicatie voor het eerst, is het voor uzelf?’)
  • Leg uit wat het doel is van een gesprek.
  • Vraag of de cliënt het goed vindt om in gesprek te gaan.

2. Informatie en onderzoek


In deze fase ga je op zoek naar de zorgvraag van de cliënt. In deze fase ben je vooral vragen aan het stellen, aan het samenvatten wat je van de cliënt hoort en aan het luisteren. Goed luisteren en daarop inhaken is hierbij heel belangrijk, om te voorkomen dat jouw vragen overkomen als een vragenvuur.

Stel om informatie te krijgen open vragen. Dat zijn vragen waarop de cliënt zelf het antwoord kan formuleren, bijvoorbeeld:

  • Wat weet u al over uw medicijnen?
  • Welke vragen of zorgen heeft u?
  • Hoe staat u ertegenover om deze medicatie te gaan gebruiken?


Deze open vragen pas je aan de situatie en de cliënt aan. Het is zeker geen standaardrijtje! De ene cliënt is beter in staat zijn zorgvragen onder woorden te brengen, een ander heeft daar meer hulp bij nodig.

3. Uitleg, advies, besluit


In deze fase haak je in op wat je in de vorige fase hebt gehoord.

  • Je geeft informatie en adviezen.
  • Je checkt of de cliënt begrijpt wat je vertelt.
  • Je geeft de cliënt ruimte om aanvullende vragen te stellen.
  • Je geeft de cliënt ruimte een reactie op jouw informatie en advies te geven.
  • Je vat samen wat besproken is en welke afspraken zijn gemaakt.
  • Je checkt of de cliënt zich daarin kan vinden en stelt eventueel bij.

4. Afsluiten van het gesprek


Hoe ziet de afsluiting van het gesprek eruit?

  • Je wijst op de service die de apotheek de cliënt kan bieden.
  • Je vertelt hoe de cliënt hiervoor contact kan opnemen met de apotheek.
  • Je wenst de cliënt een prettige dag.