Insulinen

Diabetes type 1

De enige behandeling voor diabetes type 1 is insuline injecteren of een insulinepomp dragen. Daarnaast moet de cliënt een paar keer per dag de bloedsuiker meten om te weten hoeveel insuline op dat moment nodig is. Het voortdurend afstemmen van insuline op de bloedsuiker heet ‘reguleren’. Je kunt je voorstellen dat het continu meten en aanpassen van de insuline een enorme impact heeft op je dagelijkse leven.

Verschillende soorten insulinen

Om de bloedsuiker goed te kunnen regelen, zijn er verschillende soorten insulinen. Welke insulinen geschikt zijn, is per persoon verschillend. Dit hangt vooral af van gewicht, voeding en beweging.

Prikinstructie

Het prikken van insuline kan voor cliënten een drempel vormen. Het geven van een prikinstructie gebeurt bijna niet meer in de apotheek, maar is steeds meer verschoven naar de POH-diabetes en de diabetesverpleegkundige.

Ultrakortwerkende insulinen

Ultrakortwerkende insuline-analoga worden snel in het bloed opgenomen en werken dus ook snel. Deze insuline is kortwerkend en spuit je kort voor de maaltijd (15-30 minuten), tijdens of meteen erna, zodat de bloedsuikerpiek na een maaltijd wordt opgevangen.Deze insulinen werken twee tot vijf uur.

  • Insuline lispro (Humalog®)
  • Insuline aspart (Novorapid®, Fiasp®)
  • Insuline glulisine (Apidra®)

Let op!

Fiasp® is de ‘verbeterde’ Novorapid® waarbij vitamine B3 is toegevoegd. Dit resulteert in een nog snellere opname vanuit de plek van injectie tot het bloed. Ongeveer vier minuten na injectie wordt Fiasp® al gedetecteerd in het bloed.

Kortwerkende insulinen

Kortwerkende insuline wordt een kwartier tot halfuur vóór de maaltijd gebruikt. Het maximale effect treedt op na 15-60 minuten. Deze insuline werkt zes tot acht uur.

  • Actrapid®
  • Humaject Regular®
  • Humuline Regular®
  • Insuman Rapid®
  • Insuman Infusat®

Middellangwerkende insulinen

Bij middellangwerkende insulinen zoals Humuline NPH®, Insuman Basal® en Insulatard® is het eiwit protamine aan de insuline toegevoegd. Daardoor wordt het vertraagd opgenomen. Het effect van deze insulinen treedt meestal na 1-2 uur op. Deze middellangwerkende insulinen worden vaak een tot twee keer per dag ingespoten, zodat continu een beetje bloedsuiker kan worden opgenomen in het lichaam.

Langwerkende insulinen

Langwerkende insulinen, zoals Lantus®, Toujeo® en Levemir®, werken heel geleidelijk gedurende een dag. Sinds 2014 is er ook het ultralangwerkende Tresiba® dat een extra lange werkingsduur heeft van 42 uur en daarmee als een meer gebruikersvriendelijk product wordt beschouwd. Na de injectie vormt Tresiba® meerdere depots onder de huid waaruit de insuline zeer geleidelijk wordt afgegeven.

  • Insuline glargine (Abasaglar®, Lantus®, Toujeo®)
  • Insuline detemir (Levemir®)
  • Insuline degludec (Tresiba®)

Mix-insulinen

Mix-insulinen zijn combinaties van verschillende insulinesoorten. Het betreft hier altijd een combinatie van een kortwerkende insuline met een middellangwerkende of langwerkende insuline. Ze worden meestal twee keer per dag geïnjecteerd, vóór het ontbijt en vóór de avondmaaltijd. Eenmaal per dag komt ook voor, waarbij er als maximum ongeveer 30IE wordt aangehouden. Moet een cliënt meer dan 30IE per dag injecteren, dan moet het verspreid worden over twee keer. Daarnaast is het ook zo dat cliënten soms hypo’s krijgen bij tweemaal daags. In dat geval kunnen de mix-insulinen ook verspreid worden over drie keer.

  • Insuline lispro/insuline lisproprotamine (Humalog Mix®)
  • Insuline, gewoon + isofaan (Humuline®, Insuman Comb®, Mixtard®)
  • Insuline aspart/insuline aspart protamine (Novomix®)
  • Insuline degludec/insuline aspart (Ryzodeg®)

Let op!

Wees je bewust van combinaties van insulinen! Zeker als iemand eerst één soort insuline krijgt en overgaat op een mix-insuline. Een cliënt die bijvoorbeeld voor het eerst Ryzodeg® (superkortwerkend en ultralangwerkend) krijgt, kan daar geen andere langwerkende insuline bij gebruiken. Dit betekent dat er naast Ryzodeg® nooit een andere langwerkende insuline gebruikt kan worden. Let daar goed op en communiceer dit ook met de cliënt: hij krijgt anders te veel insuline en loopt risico op een hypo. In de praktijk komt het nog vaak voor dat je even moet nabellen met de voorschrijver wat precies de bedoeling is.

Casus

‘Laatst kwam een cliënt met een recept van de internist voor Ryzodeg®. Ik vermoedde dat Ryzodeg® werd voorgeschreven als vervanger van de langwerkende insuline en Novorapid® die mevrouw al gebruikte, en wilde dus beide insulinen stoppen. Maar bij het bespreken gaf de cliënt aan dat zij volgens de internist alsnog twee insulinen moest gebruiken. Navraag met de desbetreffende afdeling leverde op dat de cliënt inderdaad moest stoppen met de langwerkende en nu overging op de Ryzodeg®. De Novorapid® moest mevrouw er nog bij houden, want daarmee kon zij eventueel kortwerkende insuline bijspuiten als dat nodig is bij de maaltijden. Ryzodeg® bevat een kort- en langwerkende insuline in een vaste combinatie en daarmee kun je natuurlijk niet bijspuiten, omdat je dan ook de langwerkende meespuit.’

Gebruiksadvies

Langwerkende insulinen worden in de regel één keer per dag toegediend, dit kan in de avond of voor het slapen zijn; de snelwerkende voor of tijdens een maaltijd. Benadruk daarom dat bij snelwerkende insulinen niet te lang moet worden gewacht met eten. De insuline begint na enkele minuten al te werken.

Dit kan bijvoorbeeld belangrijk zijn bij een bezoek aan een restaurant. Als niet goed te voorspellen is wanneer het eten opgediend wordt, is het aan te raden te wachten met het spuiten van de snelwerkende insuline tot het eten op tafel staat. Als het niet wordt gecombineerd met een maaltijd, kan kort na het toedienen een hypo optreden.

Omzetten naar biosimilars

Wordt een cliënt overgezet van een origineel middel naar een biosimilar? Informeer hem daar dan duidelijk over. Vaak ziet de verpakking er anders uit en het kan zijn dat je cliënt er anders op reageert dan op het origineel. Adviseer je cliënt ook om in het begin extra op bloedsuiker te prikken, eventueel onder begeleiding van de POH. Bij klachten kan de cliënt altijd contact opnemen met de apotheek of huisarts.

Biosimilars

Na het verstrijken van een octrooi op het originele geneesmiddel mogen andere fabrikanten het originele geneesmiddel namaken en op de markt brengen. Je kent dit hoogstwaarschijnlijk al van de generieke geneesmiddelen. In het geval van biologische geneesmiddelen, waaronder insulinen, spreken we van een biosimilar. Een biosimilar is een geneesmiddel dat wat betreft werkzame stof hetzelfde is als het originele geneesmiddel, maar bevat vaak wel andere bijproducten. Daarnaast kan de werkzaamheid wel degelijk wat verschillen ten opzichte van het origineel.

Een biosimilar wordt doorgaans in gelijke dosering toegepast bij de behandeling van dezelfde aandoening als het originele geneesmiddel. De naam, het uiterlijk en de verpakking van een biosimilar-product kunnen wel afwijken. Voorbeeld: van Lantus® (fabrikant Sanofi) bestaat een biosimilar, Abasaglar® (fabrikant Lilly).

Biosimilars en generieke geneesmiddelen zijn meestal lager geprijsd dan originele geneesmiddelen. Dat komt doordat het ontwikkeltraject korter is en de eisen ten aanzien van onderzoek voor bewijs van werkzaamheid en veiligheid minder uitgebreid zijn. Zorgverzekeraars vinden dit dan ook een heel interessante ontwikkeling.