Behandeling Diabetes type 2

Stap

Bespreek niet-medicamenteus beleid

Stap

Start metformine

Stap

Voeg sulfonylureumderivaat toe

Stap

Metformine, sulfonylureumderivaat en insuline of DPP4-remmer of GLP1-agonist

Stap

Intensiveer insulinebehandeling of voeg DPP4-remmer
of GLP1-agonist toe

Overige bloedsuikerverlagende middelen

Bij de meeste diabetespatiënten wordt met de middelen uit het stappenplan een goede regulatie van de bloedsuiker bereikt. Indien dit onvoldoende is of als de cliënt te veel bijwerkingen ervaart, dan kan gekozen worden uit de overige bloedsuikerverlagende middelen: SGLT2-remmer, thiazolidinedionen, repaglinide of acarbose.

SGLT2-remmers

SGLT staat voor ‘sodium glucose cotransporters’,oftewel natrium-glucosetransporters. SGLT2 is verantwoordelijk voor minstens 90% van de glucose-terugresorptie in de nieren. Hierdoor wordt de uitscheiding van de glucose door de nieren voorkomen. Door het remmen van deze transporter wordt glucose met de urine juist uitgescheiden en neemt de glucosespiegel in het lichaam af. De werking is insulineonafhankelijk.

In Nederland zijn vier SGLT2-remmers op de markt:

  • canagliflozine (Invokana®)
  • dapagliflozine (Forxiga®)
  • empagliflozine (Jardiance®)
  • ertugliflozine (Steglatro®).

Veel voorkomende bijwerkingen van SGLT2-remmers zijn: genitale en urineweginfecties en overmatig urineren. Duizeligheid, hypotensie en uitdroging kunnen ook optreden en zijn het gevolg van het grote vochtverlies dat optreedt door het gebruik van SGLT2-remmers.

Adviseer gebruikers van SGLT2-remmers de inname (tijdelijk) te staken bij misselijkheid, braken, extreme dorst en bij een chirurgische ingreep en contact op te nemen met de arts.


Er zijn ook meldingen bekend van diabetische ketoacidose. Deze meldingen zijn vooral voorgekomen tijdens de eerste twee maanden van de behandeling, maar er zijn ook meldingen na het stopzetten van de behandeling.


Recentelijk is een nieuwe zeldzame bijwerking van SGLT2-remmers ontdekt, gangreen van Fournier, een zeldzame, maar ernstige aandoening waarbij het lichaamsweefsel van de geslachtsorganen en het gebied daaromheen afsterft.

Thiazolidinedionen

Pioglitazon en rosiglitazon behoren tot de groep van thiazolidinedionen. Rosiglitazon is inmiddels van de markt gehaald. Thiazolidinedionen werken specifiek op de vetcellen, spieren en de lever en maken deze cellen gevoeliger voor insuline. Daarnaast zorgen ze via een ander mechanisme voor betere glucose-opname.

Veelvoorkomende bijwerkingen van thiazolidinedionen zijn gewichtstoename

(1-4 kg) en verminderd zicht. Thiazolidinedionen kunnen ook zorgen voor het vasthouden van vocht, waardoor het middel gecontra-indiceerd is bij hartfalen. In zeldzame gevallen is achteruitgang van de leverfunctie gemeld, waardoor voorzichtigheid is geboden bij cliënten met een slechte leverfunctie.

Bij combinatie met twee andere bloedsuikerverlagende geneesmiddelen geven ze verhoogde kans (> 10%) op hypo’s. En in combinatie met insuline geven ze een verhoogde kans (> 10%) op oedeem.

Meglitiniden

Repaglinide (Novonorm®) behoort tot de klasse van de meglitiniden of kortwerkende insulinesecretagogen. Het werkingsmechanisme komt overeen met die van de sulfonylureumderivaten en zorgt dat de alvleesklier meer insuline afgeeft. Daardoor kan het lichaam meer glucose uit het bloed halen en daalt de bloedsuikerspiegel. Het werkt heel kort en snel, dus precies voor de duur van een maaltijd.

Het voordeel van repaglinide is dat het vlak voor de maaltijden ingenomen moet worden en de maaltijden niet op vaste tijdstippen hoeven plaats te vinden. Het nadeel is dat repaglinide een heel korte halfwaardetijd heeft. De voorkeur voor SU-derivaten is dan ook gebaseerd op het gebruiksgemak (eenmaal daags) en de inmiddels ruime ervaring.

Veelvoorkomende bijwerkingen zijn hypo’s, buikpijn, diarree en gewichtstoename.

Combinatie? Leg verschil uit!

Leg een cliënt met een combinatie van geneesmiddelen duidelijk uit wat het verschil in werkingsmechanisme is. Het gaat erom dat je cliënt begrijpt dat een combinatie van bloedsuikerverlagende middelen met verschillende werkingsmechanismen nuttig is.

In plaats van twee aparte geneesmiddelen zijn er ook vele combinatiepreparaten op de markt. De combinatiepreparaten worden in de praktijk nauwelijks voorgeschreven. Dit heeft te maken met het feit dat het stappenplan wordt gevolgd. Op het moment dat iemand bijvoorbeeld is ingesteld op maximale dosering metformine en vervolgens een sulfonylureumderivaat erbij krijgt, is het heel moeilijk om die doseringen in één tablet samen te voegen.