Weetjes over communiceren

Wist je dat?

Communiceren is informatie uitwisselen

Bij communicatie heb je minstens twee mensen nodig. Zij wisselen informatie met elkaar uit. De een zendt een boodschap door iets te zeggen of iets op een andere manier duidelijk te maken. De ander, de ontvanger, ontvangt de boodschap en geeft er betekenis aan door te bedenken wat de ander bedoelt.

De ontvanger kan vervolgens zelf zender worden en een reactie geven. Zo gaat het op en neer. Door op elkaar te reageren en elkaar proberen te begrijpen, kun je duidelijkheid krijgen over hoe iets bedoeld is.

Apothekersassistent: ‘Doe je voorzichtig?’

Bezorger: ‘Hoezo? Ik doe toch altijd voorzichtig?’

Apothekersassistent: ‘Ja, dat klopt. Ik zeg het automatisch, ik bedoel het goed.’

Bezorger: ‘Oh, haha, nou ik ben blij dat je zo bezorgd om mij bent.’

Verbale communicatie is communicatie met woorden en
non-verbale communicatie is communicatie zonder woorden

Bij verbale communicatie communiceer je via taal. Je gebruikt woorden. Bij non-verbale communicatie communiceer je NIET via taal. Je gebruikt geen woorden maar bijvoorbeeld gebaren, lichaamshouding, gezichtsuitdrukking of de klank van je stem om iets duidelijk te maken.

Als jij bij een cliënt tijdens het gesprek op je telefoon kijkt, communiceer je bijvoorbeeld naar de cliënt: ik ben niet echt geïnteresseerd. Als je vriendelijk lacht en de cliënt aankijkt, communiceer je: goed om u te zien.

We gebruiken meer non-verbale communicatie
dan verbale communicatie

Zodra mensen bij elkaar zijn, wisselen zij voortdurend informatie uit door hun gedrag. Zelfs als je elkaar negeert, communiceer je. Je laat de ander immers merken dat je geen zin hebt in contact. In aanwezigheid van anderen kun je eigenlijk niet níet communiceren. Het is belangrijk dat jij je daarvan bewust bent als je bij iemand voor de deur staat. Ook als je nog niets hebt gezegd, straal je al iets uit door je houding, je kleding en gezichtsuitdrukking.

Mensen geloven non-verbale communicatie eerder
dan verbale communicatie

Zeg maar eens op een heel boze toon tegen iemand: ‘Ik vind je heel aardig.’ Wedden dat de ander jou niet gelooft? Of als iemand tegen jou zegt: ‘Eerlijk, ik wist van niks’, maar wel een rood hoofd heeft en je niet durft aan te kijken; geloof je hem dan?

Wil je dus overtuigend overkomen, dan is het belangrijk dat je verbale en non-verbale communicatie met elkaar in overeenstemming zijn.

Je oordeelt sneller over mensen op basis van wat je ziet dan wat je hoort.

Welk beeld heb jij bij deze foto’s? Waarschijnlijk heb je al allerlei gedachten hoe deze mensen zullen zijn. Zodra je iemand ontmoet, heb je er al allerlei gedachten bij, zelfs voordat je een woord hebt gewisseld.

Wees je ervan bewust dat zo’n eerste indruk niet hoeft te kloppen! Deel mensen niet te snel in in een bepaald hokje.

Mensen passen onbewust hun manier
van communiceren aan de ander aan

Bij communicatie beïnvloed je elkaar. Je reageert vaak onbewust op elkaar. Hoe beter het klikt, hoe meer je dezelfde houding gaat aannemen. Dat heeft een functie. Door je aan te passen aan elkaar, voel je je allebei meer op je gemak. Begint de een te lachen, dan gaat de ander vaak ook lachen. Praat de een snel, dan gaat de ander automatisch ook sneller praten. En leunt de een op een been, dan doet de ander dat ook. Ook ga je vaker dezelfde woorden gebruiken.

Je kunt dat ook bewust inzetten. Door je manier van praten, je houding en je gedrag af te stemmen op de cliënt, voelt de cliënt zich meer op zijn gemak.

Positief formuleren werkt beter dan negatief

‘De bestelling klopte gisteren niet’, ‘De insuline was niet goed verpakt’, ‘Ik kan de komende tijd niet meer overwerken’. Het is vaak makkelijker te zeggen wat je NIET wilt, dan wat je WEL wilt. Toch komt het veel krachtiger over als je duidelijk zegt wat je wel wilt. Als je zegt wat je NIET wilt, benoem je een probleem. Als je zegt wat je WEL wilt, reik je een oplossing aan. Daar kunnen anderen vaak meer mee.

In plaats van het bovenstaande kun je dus ook zeggen: ‘Zullen we voortaan nog even tijd pakken om de bestelling goed door te nemen?’, ‘Ik zou het fijn vinden als de insuline voortaan wat steviger wordt ingepakt’, ‘Het is voor mij belangrijk dat ik de komende tijd om 15.00 uur naar huis kan’.

Om over na te denken

  • Welke drie woorden hieronder beschrijven het beste hoe jij op anderen overkomt?